maandag 15 december 2014



HET KLEINE KAMERTJE

Ik denk opeens terug aan het kleine kamertje in ons oude huis in het centrum van Rotterdam.

Dat kleine kamertje dat fungeerde als opvanghuis en toevluchtsoord voor een ieder die even nergens anders terecht kon. Zoveel mensen hebben mijn kinderogen daar gehuisvest gezien, voor korte of voor lange tijd, met allemaal een eigen verhaal.
Mijn moeders hart was groot. Zij had weliswaar een hard en liefdeloos leven achter zich, maar dat had haar geenszins verbitterd gemaakt. In tegendeel, zij had daarom des temeer te doen met mensen die het moeilijk hadden. Velen wisten dan ook de weg naar haar te vinden, wanneer ze even geen andere uitweg meer zagen. Het kwam niet in mijn moeder op ook maar 1 cent te vragen voor die huisvesting, voeding en andere onderhoudskosten, terwijl we het zelf toch verre van rijk hadden en een extra centje zeker goed hadden kunnen gebruiken.

Ik herinner mij een tante Betty, die vaak door problemen met haar man toevlucht zocht in dat kleine kamertje. Ze werkte in een klein café, waar ik haar tegen etenstijd altijd een pannetje warm eten moest brengen van mijn moeder. Kwam ik dat café binnen, dan riep tante Betty steevast ‘niet opzij kijken, maar regelrecht naar mij toe komen, meissie’. En waagde een man het een blik naar mij te werpen, dan hoorde ik haar hem bits toewerpen ‘voor je kijken, niet naar dat kind’.

Wanneer ze ’s avonds van haar werk kwam, dan gooide ze haar tas ondersteboven op haar schoot om al die muntstukken te tellen, die ze als fooi gekregen had. Soms bleef ze een week, soms korter of langer, maar dat lag eraan hoe gauw zij en haar man hun twist weer bijlegden.

Eens had ze na een ruzie uit pure frustratie een vaas op haar mans hoofd stukgeslagen toen hij lag te slapen, waarna ze voor langere tijd weer bezit nam van ons kleine kamertje.

Meer dan een jaar hebben we ook een tante Marijke met een baby van een paar maanden oud in huis gehad, omdat zij voortdurend mishandeld werd door haar man. In die tijd was er nog geen sprake van blijf-van-mijn-lijfhuizen en dus bood mijn moeder haar een toevlucht in het kleine kamertje. Ik weet nog hoe haar man op een gegeven moment erachter was gekomen waar zij verbleef en op een nacht met een vriend verhaal kwam halen. Hij trapte onze deur in en dreigde mij en mijn zus te ontvoeren als zij niet meteen mee naar huis kwam.

Mijn moedertje van net 1.50 meter lang toonde zich zo dapper, haalde de grote bezem uit ons kelderhok en wist hem en zijn vriend daarmee onder hels kabaal de trap af te jagen. Ik heb nog nooit mannen zo hard een trap af zien rennen.

Na tante Marijke besloot mijn moeder een advertentie te zetten voor een huurster, want we konden een extra centje hard gebruiken. Er kwam een vrouw met een lange vlecht op af, die wij tante Lot noemden. Het was een vreemde, introverte vrouw en al gauw bleek dat zij geen cent bezat en dus al helemaal niet de kamerhuur kon betalen. Mijn moeder had het hart niet haar op straat te zetten en zo bleef tante Lot nog lange tijd bij ons.  Zij negeerde mijn zus en mij echter volkomen en we kregen zelfs geen antwoord als we haar wat vroegen. Mijn moeder vroeg haar waarom ze zo deed tegen mij en mijn zus en ze antwoordde toen doodleuk dat ze niet van kinderen hield.

Mijn moeder zei haar dat wij haar kinderen waren en zij bij ons in huis was en dat ze dus maar genoegen had te nemen met ons. Het zou echter niets veranderen aan de situatie. Gelukkig verdween ze niet veel later na dat incident zo plotseling als ze gekomen was en met de Noorderzon.

Het was een voortdurend komen en gaan van nog heel wat mensen in dat kleine kamertje en als het had kunnen praten, dan zou het heel wat boeiende verhalen te vertellen hebben gehad.

Het oude huis bestaat niet meer, is gesloopt en haar plek is ingenomen door een koud uitziend flatgebouw.  Het kleine kamertje is alleen nog maar een van de vele herinneringen  aan een buurt waar ik van meisje werd tot vrouw.

En mijn moeder, zij is er helaas ook niet meer. In 2009 stierf ze tot mijn grote verdriet door medisch geblunder in het ziekenhuis. Het doet me nog altijd pijn, dat al die mensen die bij haar een liefdevolle toevlucht vonden, nooit en te nimmer haar ook maar iets hebben laten blijken van al was het maar een klein beetje waardering. Zoals ze gekomen waren, verdwenen ze weer, bijna geruisloos eigenlijk, om nooit meer wat te laten horen.

Mijn moeder, zij was een kleine moeder Teresa, die nooit iets terugvroeg, maar het zo gewoon vond klaar te staan voor een ieder die hulp nodig had. Altijd liet ze anderen voorgaan, vroeg nooit iets voor zichzelf en stond zelf altijd als laatste ergens in een rij.

O ja, zeker weten, zij was onze kleine moeder Teresa!