woensdag 26 juni 2013

Ach, lief moedertje toch!

VANDAAG 26 juni 2013

Vanmorgen werd ik al triest wakker en speelden zich weer ellendige taferelen af op mijn netvlies.
Het was in 2009, maar nog altijd is het alsof het gisteren allemaal gebeurd is.
Zo duidelijk zag ik mijn overleden moedertje voor me en het duurde niet lang of de tranen liepen weer over mijn gezicht. Mijn lieve moedertje die op 23 maart 2009 stierf aan medisch geblunder in een ziekenhuis in Capelle a/d IJssel.

Ik herinner mij de dag dat ik haar naar het ziekenhuis in Capelle a/d IJssel bracht.
Ze zou worden opgenomen voor een darmoperatie. De bewuste chirurg had haar verzekerd dat ze daarna nog jaren mee zou kunnen. Hij sprak haar zoveel vertrouwen in dat ze het wel aandurfde met haar 85 jaar. Ze had darmkanker zonder uitzaaiingen.
Hij deed die operaties elke dag, zo had hij gezegd en mijn nog altijd zo levenslustige en actieve moedertje vertrouwde op zijn deskundigheid.

Dat ik haar uiteindelijk naar het huis van de dood bracht, had ik nooit kunnen vermoeden.
Ze lieten haar na de operatie 6 dagen lang creperen met een losgeraakte darmnaad en negeerden al de alarmbellen van mijn zus en mij. Alles werd afgedaan met 'uw moeder is al oud, ze heeft meer tijd nodig'. Het eind van het liedje was dat ze vlak achter elkaar 2 spoedoperaties moest ondergaan en op de Intensive Care terechtkwam aan allerlei toeters en bellen, had een grote buis door haar mond en haar kleine lichaam was opgezwollen door alle medicijnen.  Ze werd dagenlang in slaap gehouden en we konden niets anders doen dan tijdens de bezoekuren haar hand vast te houden en lieve woordjes tegen haar zeggen in de hoop dat ze die zou horen. Ze leek opeens wel 10 jaar ouder geworden en het waren de zwaarste dagen van mijn leven!
Dat gevoel van machteloosheid, ik voel het nog elke dag. Ik had mijn leven voor haar willen geven, maar wie was ik? Ik was geen God en had niets te vertellen dan alleen maar in onmacht moeten toezien hoe ze wegkwijnde in dat bed dat voor haar 1.44 m lengte veel te groot voor haar leek.
Toen ze eenmaal wakker werd gemaakt zaten mijn zus en ik ieder aan een zijde van haar bed en we heetten haar welkom. De komende dagen leek ze erg verward, zag vleermuizen aan de ramen hangen, zigeneurs aan het eind van haar bed en/of kleine kinderen spelen. Ze wilde niet eten noch drinken en het enige wat ze kon verdragen waren de waterijsjes die ik steeds in sneltreinvaart beneden in de hal voor haar haalde. Mijn zus hield het stokje voor haar vast, want ze was zo zwak dat ze haar armen niet eens kon optillen. Steeds weer zoog ze zo gulzig aan het waterijs en dan zei ze 'ik ben zo gulzig'. En wij antwoordden haar 'geeft niets, hoor, wees maar lekker gulzig, lieverd'.
Bij de apotheek haalde ik versterkende voedingsdrankjes, maar tevergeefs, ze kon alleen waterijsjes verdragen. 
Na een paar dagen moest ze plotseling - ondanks onze hevige protesten - van de IC af en terug naar de afdeling, want ze vonden haar niet kritiek meer. Nee, ze was niet kritiek meer, dat zou spoedig blijken. Op 23 maart 2009, haar 2e dag op die afdeling,  werd ik in de vroege morgen gebeld door mijn zwager die mij sommeerde 'onmiddellijk naar het ziekenhuis, het gaat slecht met mama'.

Ik kwam net onder de douche vandaan, mijn haar was nog kletsnat, maar ik wist niet hoe snel ik in mijn auto moest stappen. Ik beefde over mijn hele lichaam en kon alleen maar de hele weg er naar toe smeken 'mama, oh mama, wacht op mij, wacht op mij, lieverd'.
En ze had gewacht. Toen ik aankwam zag ik mijn zus gebogen over haar heen staan. In doodsangst naderde ik dat bed en zag mijn moeder daar liggen met gesloten ogen en happend naar adem.
Mijn zus maakte plaats voor mij en ik nam dat broze lichaam in mijn armen. 'mama, ach, lief mamaatje toch'. Ik voelde me zo wanhopig, zo afgrijselijk machteloos. Ze opende haar ogen, staarde me aan en met al haar kracht die ze nog in haar had, prevelde ze nog wat. Door het zuurstofmasker dat ze ophad, konden we haar niet verstaan en voorzichtig probeerden we het te verwijderen. Maar ze had geen enkele kracht meer om nog wat te zeggen. De kamer leek gevuld met plotseling allemaal witte jassen. Zolang ze zo ziek was geweest had ik nog nooit zoveel witte jassen bijeen gezien. Ze wilden met ons praten, maar dat weigerde ik. 'Nu niet, oh nee, nu niet, ze had me nodig en ik zou haar geen seconde meer alleen laten'. Ze bleven maar aandringen en dus spraken ze nog geen 3 meter verder met mijn zus. Mijn zus kwam naar me toe en fluisterde 'ze willen mama wat geven om het te vergemakkelijken, want ze gaat hoe dan ook sterven en heeft het zo benauwd, wat moeten we doen'. Ja, wat moesten we doen? We wilden niet dat ze zo moest blijven lijden en happend naar adem zou sterven en we stemden dus toe. Wat kon ik anders nog doen dan haar een vredige en rustige dood te gunnen, verlost uit dat ellendige lijden? Soms is liefde iemand los moeten laten! 'Als u vindt dat u moet gaan, mama, ga dan maar, lieverd, ga maar naar het licht'.
Mijn zus, zwager en ik, we zijn bij haar gebleven tot aan het eind. Ze is in onze armen uiteindelijk gestorven. Ik zag hoe haar broze lichaam in etappes verduisterde, totdat het licht via haar kruin doofde. Mijn zwager sloot respectvol haar open ogen waaruit de sprankel verdwenen was.

Mijn allerliefste moedertje, mijn trouwste vriendinnetje en steun en toeverlaat was er niet meer.
Nog altijd is het alsof mijn hart met haar gestorven is. Elke dag nog denk ik aan haar en elke vrijdag breng ik haar verse bloemen op het plekje waar ze verstrooid is. Daar is het dat ik altijd nog enige rust vind, even vrijuit met haar kan praten. En elke dag weer hoop ik van haar te horen, een teken te krijgen dat ze het goed maakt. En soms, soms voel ik me zo schuldig dat ik haar medicijnen heb laten toedienen om haar sterven te vergemakkelijken. Dan vraag ik me af of die beslissing wel goed is geweest. Dan ben ik bang haar vermoord te hebben door mijn toestemming. En altijd weer vraag ik me af of ik genoeg voor haar gedaan heb. En altijd is er die twijfel. Had ik het maar geweten, had ik maar ruimschoots van tevoren gezien dat ze ging sterven. Geen dag, geen uur, geen seconde zou ik haar alleen hebben gelaten. Ik zou dag en nacht in het ziekenhuis zijn gebleven, dicht bij haar.
Ik ben nog altijd boos op die artsen aldaar, die zak patat van een chirurg, die zo koele bitchen van een zusters waar ze zo bang voor leek.

We hebben na haar sterven een klacht ingediend. Niet voor geld, oh nee, want met geen miljarden zouden we onze zo waardevolle moeder terugkrijgen. Maar we wilden dat ze ervan zouden leren, dat andere patiƫnten zouden worden behoed voor de talrijke fouten die ze hadden gemaakt .
De klachtencommissie bestond helaas uit allemaal collega witte-jassen en het bleek verspilde moeite te zijn. De arrogantie en de koelheid waarmee ze aan tafel zaten met ons maakt me nog altijd driftig.
Nog elke dag speelt die film van 3 weken lijden in dat ziekenhuis zich af op mijn netvlies.
Ik wil de leuke herinneringen bovenhalen, maar nee, steeds weer zie ik haar liggen, zo broos en doodziek in dat witte ziekenhuisbed en dan voel ik weer die afgrijselijke machteloosheid die mij steeds weer wanhoop bezorgt.


http://www.artikeltjes.com/artikeltjes/1841/1/Mogen-rouwen/Page1.html

http://www.ingrideleonora.nl